De Duitsers zagen Truus Wijsmuller als een verrückte Holländische. Maar voor duizenden Joodse kinderen was ze hun ‘tante Truus’. Ze organiseerde kindertransporten vanuit het Derde Rijk naar Engeland en redde zo talloze levens. Dit jaar wordt ze geëerd met een documentaire. 

‘De pijn om je kind te laten gaan, is onvoorstelbaar,’ zal moeder Franzi later zeggen. ‘Daar zijn geen woorden voor.’ Toch beschouwt ze het afscheid van haar dochter, in de kille donkerte van zaterdag 10 december 1938, als onvermijdelijk. Met z’n drieën zijn ze hand in hand naar station Hütteldorf-Hacking gelopen. Haar dochter, de 10-jarige Lore Groszmann, in het midden. Franzi aan de ene, echtgenoot Ignatz aan de andere kant. In het westen van Wenen wacht een lange rij wagons. Om 23.10 uur zullen ze in beweging komen.

 Die zaterdagavond worden 600 Joodse kinderen in de trein gezet. De jongste is twee, de oudste bijna zeventien. Lore krijgt, als ze op het verzamelpunt nabij het station arriveert, een stuk karton om haar smalle hals gehangen. Vanaf dat moment is ze nummer 152. Negen maanden na de Anschluss verlaat Franzi’s oogappel met het eerste kindertransport de Oostenrijkse hoofdstad.

 

 

Nog diezelfde dag zal in de haven van Harwich een eerste groep arriveren met 196 kinderen uit een Berlijns weeshuis dat tijdens de Kristallnacht in brand is gestoken. Bentwich vraagt Wijsmuller naar Wenen te gaan om te onderhandelen over het vertrek van grote groepen uit Oostenrijk. Ze aarzelt geen moment.

De afspraak met Bentwich is ’s middags om vier uur. Enkele uren later, na een vluchtig afscheid van echtgenoot Joop, zit ze in het vliegtuig dat haar van Schiphol naar Berlijn brengt. De KLM heeft nog geen dagelijkse vlucht naar Wenen, vandaar de omweg. In haar kleine koffer heeft ze slechts wat schoon goed en een tandenborstel.

Op zaterdagmiddag 3 december arriveert ze met Lufthansa in de  ostenrijkse hoofdstad en neemt haar intrek in Hotel Neue Bristol, aan de ring die de binnenstad omsluit.

(foto) Twee dagen daarna, op maandagochtend 5 december om halftien, meldt Wijsmuller zich in de Prinz Eugenstrasse. In het kapitale pand dat ooit de bankiersfamilie Von Rothschild toebehoorde, zetelt nu de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, die verantwoordelijk is voor de gedwongen emigratie (lees: deportatie) van dan al om en nabij 40.000 Oostenrijkse Joden.

 

Eichmann heeft geen trek in een gesprek, zo maakt hij duidelijk. Als Truus zich niet laat wegsturen, monstert hij haar. ‘Mag ik uw handen zien?’
Even later: ‘Trek uw schoenen eens uit.’
En ten slotte: ‘Uw rok tot boven uw knieën optrekken.’
Handen, voeten en knieën maken Eichmann kennelijk iets duidelijk. ‘So rein arisch und dann so verrückt,’ zegt hij. Viezerik, denkt zij.

Maar het gehakketak leidt wel tot een gesprek dat drie kwartier duurt. Desider Friedmann wordt erbij gehaald. De voorman van de Weense Joden – die later Dachau, Buchenwald en Theresienstadt overleeft vóór hij in 1944 in Auschwitz omkomt – krijgt het bevel Wijsmuller te helpen. Als zij erin slaagt om binnen enkele dagen een transport voor 600 kinderen te regelen, valt er over het vertrek van meer groepen te praten, aldus Eichmann.

Zaterdagavond, als het sabbat is, moeten de kinderen weg zijn. Hij heeft het over de ‘schönsten Witz des Lebens’.

 

De dag daarop, als de trein Keulen bereikt, stappen de begeleiders – vrijwilligers – uit. Zij keren terug naar Wenen. In Keulen is het stervenskoud. Naar het gevoel van de ongeduldig wachtende Nederlandse Truus Wijsmuller vriest het dik twintig graden. De kinderen moeten verder. Eerst naar Hoek van Holland. Van daaruit naar het Engelse Harwich. Nu de Weense vrijwilligers zijn uitgestapt, worden de 600 kinderen háár verantwoordelijkheid.

Truus is 42 jaar eerder als Geertruida Meijer geboren in een liberaal-hervormd gezin. Haar huwelijk met Joop Wijsmuller blijft kinderloos, waardoor ze tijd heeft om haar dagen vol te proppen met sociaal werk.
Wijsmuller sluit zich aan bij tal van organisaties, waaronder het Comité voor Hulp aan Buitenlandse Kinderen.

Ze kent al snel ‘iedereen’ in de hoofdstad. Andersom geldt dat ook: ‘iedereen’ kent Truus. In 1936 vragen Joodse kennissen die haar bridgemiddagen bezoeken of ze een paar kinderen in Duitsland wil ophalen. Voor een niet-Joodse lijkt zo’n reis minder gecompliceerd. Wijsmuller doet het. Eerst één keer, daarna vaker.

Als ze twee jaar later, op vrijdag 2 december 1938, aan de Herengracht 595 kennismaakt met professor Norman Bentwich, is haar faam ook bij hem bekend. Namens de Engelse regering vertelt Bentwich dat de tot dan gesloten grenzen opengaan voor 10.000 Joodse kinderen uit Duitsland en Oostenrijk. Ze moeten uit handen van het kwaad worden gered.

 

“Trek uw rok omhoog” – Eichmann tegen Truus Wijsman

Voor ze binnengaat, krijgt Wijsmuller de schrik van haar leven. ‘De straat lag vol met lijken van Joden die er in een lange rij gestaan hadden om zich te melden voor emigratie; de SS was er met zware auto’s op ingereden, met de bumpers en laadbakken hadden ze de Joden tegen de muur verpletterd, wie ontsnapte werd achternagezeten en neergeknuppeld. Met verpletterd onderlijf, met gebroken ledematen, met bloedende hoofdwonden lagen ze op straat en de SS’ers sprongen uit hun auto’s met stokken en stukken gereedschap in de hand om de aan hun voeten wegkronkelende mensen de hersens in te slaan,’ vertelt ze naderhand, onder meer aan de schrijver Leo Vrooland.

Geschokt, maar zonder aarzelen stapt Truus Wijsmuller binnen. Ze wordt door brede marmeren gangen geleid tot twee rijkbeschilderde deuren opengaan en ze in een enorme kamer staat, afmeting balzaal. Aan het eind, op een podium, ligt een herdershond en staat een bureau.

Daarachter zit de haar onbekende Adolf Eichmann, hoofdverantwoordelijke voor de verdrijving van de Joden, later bekend geworden als zowel architect als uitvoerder van de Holocaust.

 

Daags na het gesprek reist Truus Wijsmuller terug naar Nederland. In Kleve overlegt ze met de Duitse douane, in Hoek van Holland met een rederij. Vanuit Engeland heeft ze te horen gekregen dat een transport van 600 kinderen aan de maat is. Zo’n 100 moeten er in Nederland blijven. Ze zullen in eerste instantie in Den Haag worden ondergebracht. De regering gaat akkoord, als het maar tijdelijk is en niet ten laste van de staatskas gaat. Intussen helpt Desider Friedmann mee vanuit Wenen.

Zo wordt het zaterdagavond 10 december. Vanaf station Hütteldorf-Hacking zet de trein zich wat later dan gepland in beweging. In de wagons de kinderen – met nummer 152 Lore Groszmann. Verderop nummer 555 Hans Kohlseisen, de jongen met de mondharmonica. En Norbert Abeles, Eva Burnstein met haar zussen, Frank Steiner, Gerti Colden, Marion Wolff en honderden anderen.

In Keulen stapt Truus in. Daar ook vindt, zoals ze eerder in Kleve heeft geregeld, de controle door de Duitse douane plaats. Toch dwingen SS’ers de trein even voor de Nederlandse grens nog eens tot stoppen: ze zijn op zoek naar sieraden en geld, naar alles van enige waarde.

Op zondag 11 december om 20.15 uur rollen de wagons uit Wenen het station van Nijmegen binnen. Daar worden de kinderen met chocola, brood en fruit onthaald. Een halfuur later gaat het weer verder. Want het schip de SS Prague wacht. Als de trein om 23.00 uur in Hoek van Holland arriveert, is het haasten voor de 500 kinderen die de overtocht zullen maken.

Onder hen Lore Groszmann. Ze heeft een lijstje van haar vader meegekregen. Zodra ze in Engeland is, moet ze ervoor zorgen dat ook haar ouders mogen overkomen. Net als haar opa en oma, en een tante met haar jonge tweeling. ‘Ik was tien en had al een lijst van mensen die ik moest redden,’ aldus Lore. Ze zou haar ouders inderdaad weerzien, uiteindelijk naar de Verenigde Staten emigreren en na haar huwelijk als Lore Segal naam maken als schrijfster.

 

En gedurende de oorlog zal ze doorgaan. Ze begeleidt Joden die voor veel geld hun vrijheid hebben gekocht bij de nazi’s naar een veilige haven. Dat kan alleen in de eerste jaren. Ze brengt mensen met vervalste papieren weg en organiseert voor onder meer het Rode Kruis het transport van pakketten naar vluchtelingenkampen in onbezet Frankrijk. Later ook naar Westerbork, Theresienstadt en Bergen-Belsen.

Tegelijk heeft Truus Wijsmuller er al in de jaren van haar kindertransporten voor gezorgd dat Duitse burgers vanuit Engeland naar huis kunnen terugkeren. Ze drinkt ‘voor de goede zaak’ borrels met de vijand, papt met hem aan.

Het zorgt ervoor dat die verrückte Holländische op clementie kan rekenen van Duitse zijde. Ze wordt slechts een enkele keer en voor korte tijd door de Gestapo opgepakt.